
Biografie
Luc groeide op in een landbouwersgezin. Na zijn studies startte hij als controleur voor het Verbond in de suikerfabriek van Oreye. Zo vindt hij al op jonge leeftijd zijn weg in de instanties die de bietentelers vertegenwoordigen. Terwijl zijn broer het ouderlijk bedrijf overnam, nam hij het bedrijf van zijn schoonouders over. De hoofdtak op dat moment zijn varkens. Ondertussen kwam daar heel wat bij. Ook het engagement van Luc blijft uitbreiden. Vandaag is hij vertegenwoordiger bij het Verbond en voor CoCo Haspengouw.
„Vroeger was de biet een kerk. ”
Luc Picard heeft een landbouwbedrijf in Droog-Haspengouw, op vijf kilometer van de vroegere suikerfabriek van Oreye. Samen met zijn vrouw en kinderen Pieter en Leen runt hij een gemengd bedrijf met akkerbouw, fruit, varkens en een uitgebreide korte keten. Al ruim dertig jaar zet hij zich in voor het Verbond en CoCo Haspengouw. Een gesprek over een teelt die wat glans verloor en de steeds veranderende uitdagingen.
Van varkens naar akker en hoevewinkel
In 1992 nam u het bedrijf van uw schoonouders over. Hoe verliep dat?
Al van jongs af aan wist ik dat ik de boerenstiel wou verderzetten. Dat zit in het bloed. En ik heb er tot vandaag geen spijt van.
De overname van het bedrijf van mijn schoonouders was een logische keuze. Er waren geen andere kinderen, en mijn schoonouders gingen met pensioen. De eerste jaren sprongen ze nog vaak bij. Mijn vrouw werkt al sinds de start halftijds buitenshuis. Dat was een bewuste keuze. Wie alleen op de boerderij werkt, zit al snel vast tussen vier muren. Zelf heb ik veel contacten via het Verbond en CoCo Haspengouw, maar die contacten heeft mijn vrouw niet.
Toen we de boerderij overnamen was de hoofdtak varkens. Maar ook toen al lag mijn hart bij het veld. Dat is wat ik kende van thuis. Beetje bij beetje hebben we de akkerbouw uitgebreid: hier en daar iets overgenomen, iets bijgekocht. Altijd met kleine stappen. Zit daar een strategie achter? Het is vaak een kwestie van op het juiste moment op de juiste plaats zijn. En soms heb je geluk en soms tegenslag.
Vandaag werken we met z’n vier op het bedrijf: mijn vrouw, onze beide kinderen en ikzelf. Dat geeft de luxe dat we het werk kunnen verdelen. De kinderen nemen de korte keten voor hun rekening. De akkerbouw is voor mij. De varkens doe ik samen met Pieter. Iedereen heeft een eigen verantwoordelijkheid, want één iemand die alles overziet, dat werkt niet. Maar we springen bij waar het nodig is.
Voor de bieten deed ik vroeger alles zelf, ook het rooien. Maar twee jaar geleden ben ik daarmee gestopt. Een dag heeft maar 24 uur. Nu besteden we dat uit aan een loonwerker.
Hoe ziet het bedrijf er vandaag uit?
We hebben akkerbouw met de traditionele teelten: gerst, tarwe, suikerbieten, aardappelen en een beetje maïs. Daarnaast hebben we ook peren, dat is de streek hier. Voor de korte keten is er een groentetuin van anderhalve hectare, en we telen kersen en aardbeien. De varkens zijn er ook nog steeds, deels voor de korte keten, maar die tak groeit niet meer. Integendeel, tegen 2030 moeten we 60 procent reduceren. Of we moeten verbouwen. Dat is nog een groot vraagteken. Voor de winkel houden de kinderen ook schapen, kippen en kalkoenen. En voor Greenyard telen we erwten en bonen. Het zaaien en oogsten daarvan doet een vaste loonwerker.
Waarom de stap naar de korte keten?
Als gewone akkerbouwer of varkenshouder moet je al zeer groot zijn om er een volwaardig inkomen uit te halen. De overheid zet ook in op korte keten. Maar het blijft wel veel extra werk. En het is iets helemaal anders dan de rest van ons werk. We leren nog elke dag bij.
Een zekerheid die wegviel
Wat betekent de biet voor u?
Vroeger was de biet een kerk, een zekerheid. Economisch dan toch. Spijtig genoeg is die kerk ondertussen bijna afgebroken. En dan hebben we in onze regio nog geluk. We hebben goede grond en halen altijd behoorlijke opbrengsten. Maar als we dit jaar de minimumprijs krijgen, dan wordt het voor alle telers moeilijk. Want de kosten stegen voor iedereen, ook voor ons landbouwers.
Tot tien jaar geleden deden we bijvoorbeeld maar één ziektebespuiting, voor zo’n 35 euro per hectare. Nu hebben we regelmatig jaren met drie behandelingen, dan spreken we al gauw over 150 euro per hectare. Dat is een groot verschil.
Dat de prijzen tegenwoordig harder schommelen, daar moeten we mee leren leven. De lage suikerprijs drukt op de bietenprijs.
Maar ik hoop dat het slechtste jaar ondertussen achter ons ligt. Ze zeggen dat de suikermarkt weer in stijgende lijn zit. Ik hoop dat wij daarvan mogen meegenieten. Als de suikerprijs goed is, verdienen ook wij een correcte prijs. Zodat er iets blijft hangen om de slechtere jaren te overbruggen.
Ze zeggen dat de suikermarkt in stijgende lijn zit. Ik hoop dat wij daarvan mogen meegenieten.
Luc Picard
Welke rol speelt de biet in uw rotatie?
Je moet rotatie hebben, monocultuur is het slechtste wat er is. De biet is altijd een goede rotatiefactor geweest. Toen de suikerfabriek van Oreye nog draaide, op vijf kilometer van hier, hielden we de rotatie korter. Toen zaten we aan één op drie. Nu zitten we op één op vijf of één op zes. Een ruimere rotatie is altijd goed.
Wat typeert de bietenteelt in Zuid-Limburg?
We zitten hier op de grens Vlaanderen-Wallonië: Droog-Haspengouw. En dat is goede grond voor bieten. Als je er ten minste goed voor zorgt. Daarom willen we genoeg organische stof in de bodem krijgen. Zo creëren we een buffer en kunnen we ons beschermen tegen een extremer klimaat. Dat laatste hebben we deze zomer al mogen ondervinden.
De opbrengst zal door de hitte een stuk lager liggen dan vorig jaar. Al denk ik dat de opbrengst in onze regio nog zal meevallen. Vanmiddag zijn de eerste bieten geladen, dus cijfers heb ik nog niet. Al het werk ligt nu achter ons, meer kunnen we als landbouwer niet doen. Ik vertrouw erop dat het suikergehalte niet te slecht is.
Zijn er andere uitdagingen?
Onze percelen zijn erosiegevoelig. Sinds enkele jaren ploegen we zo weinig mogelijk en proberen we het organische stofgehalte op te trekken. En er is ook druk op de landbouwgrond. Hier ligt niet de duurste grond van het land, maar de prijzen stijgen gestaag. En onze velden liggen niet in blok.
‘Wij maken zelf onze rekening wel’
De Tiense Suikerraffinaderij vroeg voor 2026 een forse inkrimping van het areaal. Hoe hebt u dat opgevangen?
We hebben een kwart minder bieten gezaaid en iets meer graan. In de regio zie ik dat er veel koolzaad gezaaid is, en ook iets meer maïs. Maar ook de graanopbrengst lag dit jaar wat lager door de hete zomer. En voor granen hang je af van de wereldmarktprijs, door de oorlog lag die dan weer wat hoger.
De beperkingen voor het inzaaien van de bieten werden heel laat meegedeeld. Daardoor waren veel telers verontwaardigd. Waarom laten ze dat niet vroeger weten? Dan kun je een beter alternatief zoeken. Als we twintig jaar terugkijken, hebben al heel wat landbouwers de biet vaarwel gezegd.
Wat verwacht u van de fabriek?
Ik begrijp dat het voor de mensen van de fabriek ook niet altijd eenvoudig is, de prijzen zijn de prijzen. Maar ze moeten goed communiceren met de landbouwers en open kaart spelen. Wat ik moeilijk vind, is dat ze bij het begin van de onderhandelingen altijd onze rekening maken. Maar zij moeten zorgen voor een correcte prijs voor de bieten. Onze rekening maken we zelf wel.
Cercospora, vergeling en wat ons nog wacht
Welke ziekten en plagen bezorgden u de voorbije seizoenen de meeste kopzorgen?
In 2024 was cercospora enorm. Hier in de buurt konden we het redelijk onder controle houden. Mede dankzij een nauwe samenwerking met het Bieteninstituut. Zij doen proeven op onze percelen. Ze tellen en observeren, en zeggen wanneer het tijd is voor een behandeling. Op hun kaart zie je de aantasting en wanneer de schadedrempel bereikt is. Ik heb veel vertrouwen in het instituut, ze maken er duidelijk werk van.
Dat is nodig nu het klimaat zo onvoorspelbaar is. Dit jaar hebben we bijvoorbeeld heel vroeg gesproeid en dan zes tot acht weken niet. In een normaal groeiseizoen is dat veel te ver uit elkaar. Maar dit jaar was de plant niet in staat om het goed op te nemen door de droogte en de warmte. Ik ben blij dat het instituut daarbij kon ondersteunen. Ze onderzoeken ook wat er nog allemaal op ons afkomt. Zodat we ons kunnen voorbereiden.
En in 2025 en 2026?
Wat betreft ziektes viel het dit jaar en vorig jaar mee. In 2025 was de onkruidbestrijding wel een kopzorg: alles was goed tot de bieten de rijen sloten, en dan kwam er achteraf toch nog wat vuil door. Elk jaar is anders. We leren steeds bij.
Cercospora wordt moeilijker te bestrijden door resistentie tegen fungiciden. Hoe pakt u dat aan?
Er zijn ook meeldauw en andere ziekten, maar cercospora richt economisch de meeste schade aan. Voor de laatste levering kies ik elk jaar cercoresistente rassen, voor de andere leveringen gewone rassen. Voor de timing volg ik het waarschuwingssysteem van het instituut.
Hoe houdt u het vergelingsvirus onder controle nu de neonicotinoïde zaadbehandeling verdwenen is?
Er wordt nu meer actieve stof gebruikt dan vroeger. Gemiddeld moeten we de bieten twee keer besproeien met een insecticide. Maar ook hier speelt het instituut een grote rol. Op hun proefvelden tellen ze de bladluizen, en ze alarmeren ons wanneer de schadedrempel bereikt is. En uiteraard ga ik zelf ook regelmatig kijken op de velden.
In Duitsland en Frankrijk richten SBR en stolbur grote schade aan. Bent u ongerust?
Ik volg het zeker op, want het komt dichterbij en de schade is aanzienlijk. Maar voorlopig komen we het hier, bij de landbouwers die aan Tienen leveren, nog niet tegen. Al zal dat wel ooit komen. En ik denk niet dat ze al weten hoe ze het kunnen tegenhouden. De veredeling werkt aan SBR-resistente rassen, maar voorlopig leverde ook dat nog niks op. Ongerust ben ik er nog niet over. Als we ongerust moeten zijn over iets wat zou kunnen komen, dan kunnen we nooit meer slapen.
Wat verwacht u van het onderzoek en de overheid?
Als het ooit hier komt, moet het instituut ons inlichten. Ze moeten uitleggen wat het is en hoe we kunnen voorkomen dat het zich uitbreidt. En hopelijk heeft de veredelingssector tegen dan resistente rassen. Ook zij spelen een belangrijke rol.
Campagne 2026 en duurzaamheid
Hoe lopen de oogst en de levering dit najaar?
De oogst loopt goed op dit moment, en de levering zit ongeveer op de geplande datum. Over de opbrengst en het suikergehalte kan ik nog niets zeggen. De eerste lading is opgehaald. Ook de samenwerking met de recepties en de controleurs verloopt vlot. Zolang we niet veel horen, is het in orde.
Hoe staat u tegenover programma’s zoals Climate Farming van de Tiense Suikerraffinaderij en Beneo?
Duurzaamheid is belangrijk. Zelf werk ik met groenbedekkers en niet-kerende bodemwerking. Vroeger kon je bij Tiense Suiker ook duurzaamheidsacties doen, met een vergoeding voor je inspanningen. Maar door dalende prijzen hebben ze in de winter alles afgeblazen voor 2026. Achteraf hoorden we dat hier en daar landbouwers gecontacteerd werden om toch verder te werken rond Climate Farming. Dat gebeurde zonder medeweten van het Verbond en wat het inhoudt, weten we nog steeds niet goed. Maar we hebben er geen goed gevoel bij.
Het kan niet de bedoeling zijn dat de fabriek zo selectief te werk gaat en kiest wie meedoet. Elke ton bieten die geleverd wordt, moet dezelfde vergoeding krijgen. Ik hoor dat Vegaplan werkt aan een allesomvattend plan voor alle teelten. Dat lijkt me beter dan dat elke afnemer zijn eigen programma heeft.
Ziet u kansen in diversificatie of energieproductie?
In de regio wordt meer koolzaad geteeld, ook voor olie en energie. Zelf teel ik geen koolzaad. Een kwarteeuw geleden hebben we met PIBO een paar jaar proeven gedaan, maar daarna verdween het weer uit het teeltplan. Misschien komt het nog terug.
‘Elke regio is anders’
Waarom engageert u zich in het Verbond en in CoCo Haspengouw?
Na mijn opleiding, in 1991, heb ik zeven jaar als controleur voor het Verbond gewerkt in de suikerfabriek van Oreye. Zo kwam ik in contact met de mensen van het Verbond. Ik rolde er dus in, maar het is ook een overtuiging. Elke regio is anders en moet vertegenwoordigd worden. Iedereen brengt iets anders in. Maar het wordt steeds moeilijker om mensen te vinden voor die functies. Niet onlogisch, want we zijn ook met steeds minder landbouwers.
Hoe houdt u voeling met de telers in uw regio?
We zitten dicht bij PIBO, de landbouwschool, veel contacten lopen via de school. En de boeren uit de omliggende dorpen weten me te vinden. Vroeger kwamen we geregeld samen, nu niet meer. Als er ergens iets is, wordt er gebeld en doorgebeld.
‘We moeten volhouden’
Heeft u nog een boodschap voor collega’s of beleid?
Politici mogen niet te snel denken dat ze de landbouw niet nodig hebben. De dag waarop er in België niets meer geproduceerd wordt, wil ik niet meemaken. Dat is slecht voor de consument en voor het hele land. Veel mensen beseffen niet hoeveel er nog van de landbouw afhangt. Luister dus naar ons, want we hebben elkaar nodig. En voor collega-landbouwers zou ik zeggen: hou vol. Kijk uit naar de goede jaren en neem de slechte erbij.