
Biografie
Olivier Lisbet (°1980) is landbouwer in Angre, waar hij samen met zijn broer en moeder het familiebedrijf runt. Na jaren ervaring als loonwerker, zaaiprospecteur en biet- en cichoreirooier keerde hij volledig terug naar het bedrijf, dat een mix van akkerbouw en veeteelt omvat. Hij is actief binnen FédéRT en andere lokale landbouworganisaties. In maart werd Olivier voor het eerst papa, van een dochtertje: een extra motivatie om te blijven bouwen aan een toekomst voor de sector.
Olivier Lisbet, jonge landbouwer uit de regio Angre
In Angre, op een boogscheut van de Franse grens, runt Olivier Lisbet samen met zijn broer en moeder het familiebedrijf. Als jonge maar ervaren landbouwer staat hij met beide voeten in een sector onder zware druk, maar waarin hij blijft investeren – in diversiteit, duurzaamheid en engagement. Met twee decennia aan praktijkervaring, van loonwerk tot een zetel in de raad van bestuur van FédéRT, spreekt Olivier met kennis van zaken over de uitdagingen én de trots van het landbouwersbestaan. Een gesprek over toekomst, verantwoordelijkheid en volhouden, zelfs wanneer onzekerheden zich opstapelen.
Kunt u zichzelf voorstellen en iets vertellen over uw landbouwfamilie?
Ik ben 45 en de oudste van drie kinderen. Vandaag werken we op het familiebedrijf met mijn broer en mama.
Hoe is de overname van het bedrijf verlopen? Was dat al lang voorzien?
Na mijn studies in 1999 ben ik als hulpje op het bedrijf begonnen, gewoon omdat ik het werk graag deed. Toen mijn broer zijn studies afrondde, werden we samen bedrijfsleiders: ieder van ons nam een derde van het bedrijf over. Op dat moment werd de boerderij een familievennootschap, wat ons toeliet samen vooruit te gaan.
Wat heeft jullie ertoe aangezet om jullie in Angre te vestigen?
Mijn ouders komen eigenlijk niet uit de streek: mijn vader komt uit de regio Nijvel en mijn moeder uit Soignies. Omdat ze allebei uit landbouwfamilies komen, zochten ze een bedrijf om over te nemen. Er kwam een opportuniteit in Angre, waar de toenmalige landbouwer wilde stoppen. Zo zijn we hier terechtgekomen.
Heeft u andere professionele ervaringen opgedaan?
Ja. Op mijn 15e ben ik begonnen als maaidorserchauffeur bij een loonwerker, en dat doe ik vandaag nog altijd. Na mijn studies ben ik ook bij een loonbedrijf gaan werken voor het rooien van suikerbieten en cichorei; we rooiden toen tussen 400 en 450 hectare per jaar. Ik ben ook prospecteur voor suikerbietenzaad geweest voor verschillende firma’s, tot in 2010. Daarna ben ik volledig teruggekeerd naar het familiebedrijf, vooral door de gezondheidstoestand van mijn vader.
Welke teelten hebben jullie op het bedrijf? En welke plaats neemt de suikerbiet in?
We telen wintergerst, tarwe, haver, aardappelen, suikerbieten, luzerne en vlas, en we hebben ook 55 hectare weiland. Wat veeteelt betreft hebben we melkkoeien, vleesvee en varkens. Varkens maken al sinds het begin deel uit van de familiegeschiedenis. De bietenteelt bestaat op het bedrijf sinds 1980. Vandaag is het onze derde teelt, na de granen.
Zou u graag nieuwe activiteiten ontwikkelen of bepaalde zaken veranderen?
De vlasteelt is relatief recent maar wel een belangrijke ontwikkeling. Voor de rest zijn we al heel gediversifieerd. Mijn doel is niet noodzakelijk om mij nog verder te specialiseren.
Elk jaar komen er regels bij. Dat maakt de toekomst angstaanjagend.
Olivier Lisbet
Wat zijn de grootste hindernissen voor de toekomst?
Zonder twijfel: de regelgeving. Elk jaar komen er nieuwe regels bij. Dat maakt de toekomst angstaanjagend, want de administratie blijft maar toenemen. Maar eens je op de rails zit, kan je niet zomaar van de ene dag op de andere stoppen.
U bent sterk betrokken in verschillende organisaties. Kunt u daar iets over vertellen?
Ik zit in de raad van bestuur van FédéRT, maar ook in de landbouwcommissie van de regio en in een milieugroep. Ik heb altijd graag engagement opgenomen en vind dat ook belangrijk. Vooral omdat we met steeds minder landbouwers zijn, en de gemiddelde leeftijd snel stijgt. Als we gehoord willen worden, moeten sommigen durven spreken. En ik heb nooit schrik gehad om met de vuist op tafel te slaan als het nodig is.
Wat brengt dat engagement u bij?
Heel veel uitwisseling. Je leert altijd van anderen, vooral van de ouderen. Elke streek heeft zijn eigen kenmerken, en die vergaderingen zijn bijzonder verrijkend. Wat ik wel betreur, is het gebrek aan engagement bij jongeren. Aan dit tempo: wat blijft er over binnen tien jaar?
Hoe heeft u de recente landbouwprotesten beleefd?
Wanneer we betogen, is het omdat we niet akkoord zijn. Met alles wat ons wordt opgelegd, moeten we ons verdedigen. Maar het is triest dat het zover moet komen. Voor de manifestatie van 18 december moeten we met véél zijn: dat is echt cruciaal.
Zijn de landbouwers gehoord?
Ze hebben naar ons geluisterd … maar slechts gedeeltelijk. Veel verplichtingen blijven bestaan, zoals de registratie van fyto’s, die extra werk geeft in plaats van werk weg te nemen. Soms heb je het gevoel dat men ons ziet als vervuilers, terwijl de producten geëvolueerd zijn en de normen strenger zijn. Met de huidige prijzen van die producten gaan we echt niet zomaar dubbel zoveel gebruiken. Als ik één boodschap kan meegeven aan consumenten en beleidsmakers, dan is het wel deze: “Wij kunnen niet ‘groener’ zijn dan wat we vandaag al zijn.
We kunnen niet 'groener zijn dan wat we vandaag zijn.
Olivier Lisbet
Kunt u zich voorstellen de bietenteelt stop te zetten?
Ja, als de Tiense Suikerraffinaderij het ons oplegt. Wij behoren tot de verste planters. Met de 25% vermindering van oppervlakten in 2026 zal de druk groot zijn. Misschien zal men ons op een dag vragen om minder kilometers te rijden.
Hoe ziet u de evolutie van de suikermarkt?
Die markt kent altijd golven. Nu zitten we in een neergaande fase, en wel op het niveau ‘heel diep’. Dat is zorgwekkend. De invoer doet heel veel kwaad.
Wat is volgens u nodig om de toekomst van de sector te verzekeren?
Men had veel vroeger moeten reageren. Bij het einde van de quota heeft men ons aangemoedigd om meer te produceren, en dat hebben we gevoeld. Vandaag wil men nog altijd de fabrieken maximaal laten draaien, maar als je ziet dat we in 2026 misschien maar 80 campagnedagen zullen hebben, dan zet dat aan tot nadenken.
Welke praktijken past u toe om de duurzaamheid te versterken?
Dit jaar hebben we de bieten weer ‘geschoffeld’, en het was een goed jaar voor die praktijk. We gebruiken ook veel stalmest, wat de externe inputs vermindert. En ik neem deel aan verschillende duurzaamheidsacties van de suikerfabriek: bodemanalyse, bodemstalen en vermindering van chemische inputs.
Hoe verlopen de bietencampagnes?
Over het algemeen goed, maar de coördinatie is echt een probleem. De pulpplanningen zouden bijvoorbeeld op drie dagen moeten opgesteld worden. Wij zitten het verst, en we lopen systematisch achter op het aangekondigde schema. De transporteurs worden er gek van: de ene dag krijgen ze te horen dat ze moeten werken, en de dag erna weer niet … Dat is niet vol te houden.
Is er iets dat u zou willen verbeteren aan de landbouworganisaties?
Niet echt inhoudelijk: onze voorgangers hebben hard gevochten om te komen waar we nu staan. Wat we wél nodig hebben, zijn meer jongeren. We hebben absoluut opvolging nodig. Wat maakt u trots in uw beroep? Het ritme van de seizoenen, de variatie in het werk. Een jaar vliegt voorbij. We waren dit jaar vóór 1 december klaar met onze bieten, dat doet deugd. Vanaf januari begint alles opnieuw: mest, bemesting, planten … Het is een levend beroep.
Een boodschap voor jongeren die twijfelen?
Je moet heel moedig zijn, ouders hebben die je steunen en banken die volgen. Het beroep is totaal niet meer hetzelfde als twintig jaar geleden, de papierberg explodeert. De landbouwer van morgen zal waarschijnlijk werknemers nodig hebben om tijd vrij te maken voor het administratieve werk.
Hoe ziet u de toekomst van uw bedrijf binnen 10 tot 20 jaar?
Ik ben in maart papa geworden van een dochtertje. Wanneer zij 20 is, zal ik 65 zijn. Ik zal haar niet pushen om over te nemen. Als ze het wil, dan mag dat, maar het beroep wordt te onzeker. Het overkopen van familieaandelen is extreem duur geworden en de investeringen rijzen de pan uit. Maar landbouwers zullen altijd nodig zijn … met sterke schouders.
Een laatste woord?
Blijf solidair en hou elkaar vast. Dat is de enige manier waarop ons beroep ook morgen nog kan blijven bestaan.